Geschiedenis

De Bull Terrier,die ook wel White Cavalier wordt genoemd, is 1 van de oudste Terrierrassen. De rasnaam werd al in 182 door Pierce Egan vermeld in de Annals of Sporting (Kronieken van de Sport). De Bijnaam van deze hond (Gladiator) zegt overigens genoeg over zijn kwaliteiten. Deze naam heeft hij te danken aan de tijd, toen hij tegen andere honden moest vechten in kuilen, die ‘pits’ werden genoemd. Deze “sport”die van de Middeleeuwen dateert, was zeer populair in Groot Brittannie. Gedurende zeer lange tijd werden eigenlijk alleen honden (vooral Buldogachtige) gebruikt om tegen stieren te vechten. Deze vorm van vermaak stond bekend onder de naam ‘bull baiting’. In het Engeland van de 16e en 17e eeuw waren gevechten tussen dieren bijzonder populair. Vooral koningin Elizabeth 1 (1533-1601) kon er niet genoeg van krijgen en als ze ergens op bezoek was, kon men haar geen groter genoegen doen dan dagenlang ’bull baiting’ en ‘bear baiting’ (gevechten tussen een hond en een beer) te organiseren.

Koningen en Landheren hadden het alleenrecht op het gebruik van Mastiffs. De gevechten, waarin honden het tegen beren en wilde dieren moesten opnemen, waren bijzonder bloeddorstig. Met de industriële revolutie en de ontwikkeling van grote steden - waar mijnwerkers, metaalbewerkers en textielarbeiders woonden - kwamen er allerlei varianten op het traditionele en landelijke 'bull baiting'. De stier werd vervangen door allerlei soorten wilde dieren of huisdieren, dassen, beren, ezels, paarden, apen, soms zelfs leeuwen of luipaarden. De bedoeling hiervan was om meer publiek te trekken en de bedragen van afgesloten weddenschappen te verhogen. 

Daarnaast moest ook worden geconcurreerd met de zeer populaire hanengevechten en de 'rats killing matches', wedstrijden tussen rattenvangers. De gevechten werden vooral in Londen, Birmingham, de Midlands en Noord-Engeland gehouden. In de hoofdstad werden zelfs twee arena's gebouwd: Westminster Pit en Pad-dington Pit. Uit de tekst van een affiche uit die tijd (1821) kan worden afgeleid hoe het programma in zo'n arena er uitzag: 'Gevecht met een beer en een stier, gevecht tussen twee honden, en, als hoofdattractie, het gevecht van de aap Jacco Macacco, dertienvoudig kampioen, tegen een hondeteefje.' De namen van de ingezette hondenrassen werden nergens genoemd, maar vechthonden kwamen in het algemeen voort uit kruisingen tussen de Buldog en verschillende Terriërs, zoals de Foxterriër, de Black and Tan Terriër (voorouder van de Manchester Terriër) en vooral de Old English White Terriër. Hamilton Smith schreef in 1843 in zijn Naturalist's Library (Bibliotheek van de Naturalist) dat deze exemplaren 'De koppigste en de wildste honden ter wereld waren ', en de mening van Clifford Hubbard, in Dogs in Britain (Honden in Groot-Brittannië) luidde dat 'Ze groter en sterker waren dan de Bull Terriërs van nu, en vooral met een heel ander hoofd, verwant met dat van de oude Bulldog'. 'Bijzonder lelijke bastaards', schreef Henry Davis in The Modern Dog Encyclopedia. De diverse benamingen, waarmee deze honden werden aangeduid - Buil and Terriër Dogs, 'Half and Half' (half om half), Pit Dogs, Pit Bulls - gaven overigens aan welke rassen waren gebruikt: bij de te zwaar geachte Bulldog was wat bloed van de Terriër ingebracht, die als koppig en behendig werd beschouwd.Toen 'buil baiting' in 1835 door het Britse Parlement werd verboden, leek de Buil Terriër al veel op het huidige ras. Deze vechthond vertoonde vrij veel overeenkomst met een Staffordshire Bull Terriër: zeer kort gecoupeerde oren, meestal van grotere afmetingen - 45 cm schouderhoogte - en een gewicht van 20 kg. Het door de regering afgekondigde verbod op dierengevechten maakte echter geen einde aan de hondengevechten. Men kon de Britten nu eenmaal niet verbieden een hond te bezitten, deze een intensieve training te geven, vooral omdat de agressiviteit van de hond uitsluitend was gericht tegen soortgenoten. Bovendien was het moeilijk om de locaties waar de gevechten zich afspeelden - schuren, achterplaatsen van cafés, of steengroeven (met name in Bodmin Moor in Corn-wall) - te controleren. Zo konden de gevechten ongehinderd tot het midden van de 19e eeuw worden gehouden. 

In 1860 verscheen de eerste hond die direct afstamde van de Pit Dogs op hondententoonstellingen. Deze White Cavalier, die al snel Buil Terriër werd genoemd, was van James Hinks, een hondenhandelaar uit Bir-mingham. Het was een exemplaar met een geheel witte vacht en een fijner, langer hoofd dan dat van de andere vechthonden. Hoewel James Hinks zijn 'recept' voor het fokken van zo'n hond nooit heeft prijsgegeven, moet deze haast wel het resultaat zijn geweest van een kruising tussen een Engelse Bulldog en een Old English White Terriër. Vervolgens werd er waarschijnlijk Dalmatiër, of in mindere mate Greyhound, Whippet en zelfs Pointer ingekruist. Kynologen hebben met deze inbreng - die overigens helemaal niet zeker is - het eivormige hoofd (een 'rugbybal') van de Buil Terriër willen verklaren, dat korte tijd later nog meer accent zou krijgen. Sommigen, zoals Edward Ash in zijn Practical Dog Book, vermeldden zelfs een inbreng van de Schotse Herdershond (Collie). J. Dhers, een beroemde Franse kynoloog, bracht een totaal andere mening naar voren dan zijn Britse collega's: 'Als de Bull Terriër iets van de Dalmatische Hond of de Greyhound heeft, dan zie ik vrij weinig gelijkenis met de kortbenige terriërs (de Cairn Terriër en de West-Highland-White Terriër) en nog minder met de Collie. Deze heeft toch echt een andere schedel dan de windhond. De ovale schedel van de Buil Terriër lijkt mij meer weg te hebben van de Whippet, die zelf van de terriërs stamt.' De analyse van Dhers berustte inderdaad op overtuigende feiten. Omstreeks 1860 namelijk had de Collie nog niet het lange en fijne hoofd waar het huidige ras prat op gaat. Daarnaast onderschatte men waarschijnlijk de rol die de Old English White Terriër heeft gespeeld. Deze werd veelvuldig gekruist met kleine windhonden. Toch oefende de 'nieuwe' Buil Terriër aantrekkingskracht uit op de bezoekers van hondententoonstellingen en op de liefhebbers van iets origineels. Dit wekte natuurlijk de woede en kritiek van de aanhangers van de 'oude' Buil Terriër. Zij verweten Hinks een beroemde vechthond te hebben gedegenereerd tot een tentoonstellingsobject met een smetteloos witte vacht en een sierlijk hoofd. Hinks stelde zijn tegenstanders toen voor om zijn teefje Puss te laten vechten met een gewone 'oude' Bull Terriër. De winnaar stelde hij maar liefst vijf pond (geen gering bedrag in die tijd) in het vooruitzicht, plus een kist champagne. Het duel werd gehouden bij Tuppers in Long Acre in de wijk Covent Garden in Londen. In een 30 minuten durend, fel gevecht doodde Puss haar tegenstander. De volgende dag, behaalde ze, vrijwel onbeschadigd uit de strijd gekomen, haar eerste prijs op een hondententoonstelling.  

Er was een mooie carrière voor de 'nieuwe' Bull Terriër weggelegd. Aan het eind van de 19e eeuw was hij een trouw bewaker geworden, die bovendien goed was opgevoed. Zijn bijnaam 'gladiator' werd dan ook als vanzelfsprekend vervangen door 'gentleman'.

In die tijd konden de door Hinks gefokte Bull Terriërs nog aanzienlijk in omvang variëren. Hoewel voor de tentoonstelling van Islington in 1863 een speciale klasse voor exemplaren van minder dan 12 (Engelse) pond (ongeveer 5,4 kg) was ingevoerd, kenden de keurmeesters alleen de grote exemplaren een prijs toe. In zijn boek Modem Dogs dat in 1903 verscheen, verzette Rawdon Lee zich tegen een dergelijke discriminatie. Een 'miniatuur' Bull Terriër bestond immers al in de beginperiode van het ras. Pas aan het eind van de 19e eeuw werd de bijzondere vorm van het hoofd - 'downface' - bepaald, ofwel de opvallende vorm, geen enkel reliëf vertonend en met een langzaam afhellend profiel.

1895 zou de Buil Terriër de eerste 'tegenslag' te verwerken krijgen. In dat jaar namelijk verzocht koning Edward VII de Kennel Club om een verbod op het couperen van de oren. Daarmee zou volgens velen een stukje charme verdwijnen van de lijnen van de Bull Terrier, die altijd de bij vechthonden gebruikelijke puntige gecoupeerde oren had gehad. De fokkers lieten zich echter niet uit het veld slaan en slaagden door selecctie erin honden te fokken met rechtopstaande oren. Deze honden waren de enige - naast die met half gevouwen oren die, in het begin, werden toegestaan. Maar de fokkers hadden nog steeds de strijd niet gewonnen en kregen al snel met een ander probleem te maken, dat voor de hele toekomst van het ras echt zorgwekkend bleek: een groot aantal Bull Terriërs werd doof geboren. Om verergering te voorkomen en om te proberen de dieren die het overbrachten uit te roeien, werd de standaard in 1920 herzien. Daardoor kwam er een eind aan het alleenrecht van witte exemplaren. Er zou namelijk een samenhang bestaan tussen de witte kleur en dit gebrek. Tenslotte werd ook de gekleurde Bull Terrier toe gestaan. Deze beslissing maakte het mogelijk zowel het doofheidprobleem op te lossen, als dat van het allesoverheersende, zeer onesthetische pigmentverlies, waar het ras veelvuldig door werd geplaagd. Uiteindelijk werd de Bull Terriër door de grote kleurenvariëteit steeds populairder.

In 1943 erkende de Britse Kennel Club eindelijk de 'Miniatuur Bull Terriër.' Maar dat had nauwelijks gevolgen voor een betere verspreiding ervan. Deze kleine Buil Terriërs bestonden eigenlijk al in het begin van de 19e eeuw; de Miniatuur Buil Terriër stamt af van de oude kleine Bull Terriër en de oude Toy Bull Terriër. Hoewel het miniatuurtype dus al heel lang bestond, was het kort na de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) bijna uitgestorven. Daardoor zagen de liefhebbers van Miniatuur Buil Terriërs geen andere oplossing dan het fokken van een zwaarder slag. Het gewicht voor een showexemplaar werd daarom op 18 pond (ongeveer 8,2 kg) bepaald. Het succes van de Bull Terriër beleefde een hoogtepunt na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). In de oorlog werd hij als politiehond gebruikt, en later als jachthond voor de jacht op grof wild in Afrika, omdat hij zo goed bestand bleek tegen het tropische klimaat. Sindsdien heeft de Bull Terriër zich in de Verenigde Staten gevestigd en in alle landen van het Britse Gemenebest. In Zuid-Afrika is het een van de populairste rassen.

GEDRAG

Gezien het oorlogszuchtige verleden van de Bull Terriër, zou men zich terecht kunnen afvragen of dit dier het vertrouwen van zijn bazen wel verdient. Wie hondententoonstellingen bezoekt, kan echter constateren dat de Bull Terriërs gedisciplineerd zijn en weinig kabaal maken. 


Ze gedragen zich vriendelijk tegenover de bezoekers en zelfs tegenover andere honden. Maar het feit dat de Bull Terriër ontzag heeft voor de mens, wil nog niet zeggen dat hij geen karakter heeft. Hij heeft juist een aard die net zo bijzonder is als zijn schoonheid origineel. Vóór alles is hij een terriër, en dat betekent dat hij heel levendig en spontaan is. Maar hij is ook eigenzinnig, soms zelfs ongehoorzaam. De baas zal zelf gezag moeten tonen om de Bull Terriër afhankelijk van zich te maken. Dat kan echter zonder bits, hard, wreed en autoritair te zijn. De baas moet zich laten gelden, maar heeft daarvoor niet perse heel veel ervaring nodig. Om met een Bull Terriër te kunnen omgaan, moet men een soort 'gevoel' hebben. Daar komt nog bij dat deze hond - al staat hij onverschillig tegenover pijn - het zich altijd zal blijven herinneren als hij onverdiend straf heeft gekregen. Hij moest dus fair maar ferm worden opgevoed en behandeld.

Er wordt beweerd dat het manhaftige en dappere karakter van de Bull Terriër goed past bij een mannelijke persoonlijkheid. Maar dit wil absoluut niet zeggen dat hij niet goed zou kunnen opschieten met vrouwen. Hij hecht zich snel aan zijn baas of bazin en heeft in ruil daarvoor veel aandacht nodig. Deze hond zal dan bijzonder lief zijn en hij kan zonder meer worden aanbevolen als een kindervriend. Door zijn voortvarende en onomwonden gedrag is hij het ideale speelkameraadje voor spontane kinderen. Daarbij laat hij een onverwacht zachte kant zien, terwijl hij daarnaast instinctmatig en vurig over zijn 'kleine bazen' zal waken. Het is goed om hem van jongs af aan op te voeden, als hij nog het best handelbaar is. Eerst moet hem worden geleerd op het commando 'hier!' terug te komen. Bij de minste poging van agressief gedrag tegenover soortgenoten moet heel vastberaden worden opgetreden. Honden die vanwege agressief gedrag jegens soortgenoten (iets dat in principe bij honden van welk ras dan ook kan voorkomen) niet met andere viervoeters kunnen omgaan zijn zielige dieren. Honden zijn sociale wezens en moeten contact hebben met andere honden.

Bull Terriërs stammen dan wel af van vechthonden, maar dat betekent zeker niet dat vandaag de dag nog aan hun gedrag zou moeten worden gemerkt. Misschien zien ze er vervaarlijk uit met hun lange, dikke snuit, maar de gemiddelde Westie (West Highland White Terriër), is even onvervaard, driest en zelfverzekerd. En dat geldt voor ettelijke terriërrassen, die beslist niet populair zijn bij diegenen, die met hun hond willen imponeren. De Bull Terriër heeft vaak kritiek te verduren gekregen. Hij werd ervan beschuldigd lastig, te impulsief en soms zelfs vals te zijn. Daarbij beriep men zich erop dat hij voorouders heeft die gevreesde vechters waren. Dergelijke kritiek wijst echter op een volledige miskenning van het ras. Maar dat neemt niet weg dat zijn specifieke eigenschappen ook bepaalde nadelen hebben. Zo schreef J. Dhers dat deze aan het licht komen als de hond als pup door een 'hard en onbekwaam iemand' is opgevoed. Maar degenen die deze hond voldoende aandacht geven, zien in de schittering van zijn gitzwarte schuine oogjes een onweerlegbare zachtmoedigheid en zelfs de fonkeling van de 'zo typisch Britse' humor.